De macht van de Boze Twitteraar

Thijs Broer en Chris Ostendorf

Chief Editor

Van de hoofdredacteur

Over de boze twitteraars waar de landelijke media en politiek mee te maken krijgen, schreven journalisten Thijs Broer en Chris Ostendorf eerder een artikel in Vrij Nederland. Wij mochten het opnemen in dit jaarboek, waardoor we kunnen kennisnemen van het onderzoek dat zij door de Universiteit Utrecht lieten uitvoeren naar die twitteraars. De bevindingen, bijvoorbeeld de constatering dat het maar om hele kleine groepen gaat die vooral op elkaar lijken te reageren, zijn zeer relevant voor politici, maar ook voor griffiers en communicatiedeskundigen. Eén zo’n communicatieadviseur, Guido Rijnja, beschrijft in de volgende bijdrage zijn eigen ervaring met heftige publieksreacties bij de Rijksvoorlichtingsdienst.

De polarisatie van de sociale media dringt steeds vaker door in het politieke debat. Maar wie zijn die boze twitteraars eigenlijk, aan de rechter- en linkerkant van het spectrum? Hoe verhouden zij zich tot de traditionele media? En hoe groot is hun invloed op de politiek? De Utrecht Data School zocht het uit, in opdracht van Vrij Nederland en Nieuwsuur.

Wie zich regelmatig op Twitter beweegt (en niet alleen met de Efteling of vriendelijke boswachters bezig is), denkt al snel dat Nederland wordt bevolkt door louter boze burgers. Of het nu gaat over immigratie, Zwarte Piet, identiteit of genderneutrale toiletten: de oordelen van rechtse en linkse twitteraars tuimelen over elkaar heen, in gierende hyperbolen. En steeds vaker dringen de gepolariseerde discussies op de sociale media door in het politieke debat. Politici als Geert Wilders en Thierry  Baudet maken er behendig gebruik van: via Twitter mobiliseren zij hun achterban, die vervolgens in Den Haag als ‘de boze burger’ over het voetlicht wordt gebracht. Hetzelfde gebeurt aan de linkerkant van het  spectrum: daar trekken bijvoorbeeld Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk van DENK met hun kiezers via de nieuwe media ten strijde tegen de PVV en de gevestigde partijen, zonder de hinderlijke tussenkomst van ‘bevooroordeelde’ journalisten.

Tegelijkertijd worden de traditionele media beheerst door de ene na de andere kwestie die op Facebook of Twitter begon. Zo werden in november na een Facebook-oproep en een campagne in De Telegraaf een paar bussen met anti-Zwarte Pietactivisten op de snelweg bij Dokkum klemgereden door boze tegenstanders. En Thierry Baudet, wiens politieke opmars begon op Twitter, is na de laatste peilingen niet meer uit de media weg te slaan met zijn offensief namens de boze burger tegen Europa, de politieke elite en de ‘massa-immigratie’. Zelfs de koning praatte de polarisatie op het web na in zijn Kersttoespraak, alsof de hele samenleving uit elkaar dreigt te vallen.

Maar intussen laat een recent rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau zien dat verreweg de meeste Nederlanders helemaal niet zo boos zijn, en zelfs tamelijk tevreden over hun eigen leven, de Europese samenwerking en de democratie, en nota bene milder gestemd over migranten dan 25 jaar geleden. De vraag is dan ook: waardoor wordt het heersende beeld van de boze burger bepaald? Wordt het aangejaagd door de polarisatie op internet? Wie zijn die boze twitteraars eigenlijk, aan de rechter- en de linkerkant van het spectrum? Hoe verhouden zij zich tot de traditionele media? En hoe groot is hun invloed op de politiek? In opdracht van Vrij Nederland en Nieuwsuur zocht de Utrecht Data School het grondig uit.

Met ruim 9 miljoen maandelijkse gebruikers is Facebook in Nederland het grootste en meest invloedrijke sociale media-platform, maar Facebook is voor wetenschappers een deels gesloten bolwerk omdat het moederbedrijf sinds 2015 vanwege privacy-maatregelen weigert gegevens van gebruikers openbaar te maken. Twitter heeft aanzienlijk minder maandelijkse gebruikers: rond de 900.000, en het aantal daalt al een paar jaar gestaag, maar het is een tamelijk transparant platform dat bovendien vooral door journalisten en politici van alle gezindten intensief wordt gebruikt. Onder leiding van Mirko Tobis Schäfer richtten de onderzoekers van de Utrecht Data School zich vooral op Twitter. Op basis van een dataset van al het Nederlandstalige twitterverkeer in de onderzochte periode identificeerden zij 1200 ‘topic communities’ (gemeenschappen rondom bepaalde onderwerpen – opvallend populair: de Efteling, voetbal en boswachters), en onderzochten ze welke clusters van rechtse en linkse politiek geïnteresseerde twitteraars er kunnen worden aangeduid op grond van het beantwoorden en ‘retweeten’ oftewel doorsturen van elkaars berichten (zie verantwoording). Een eerste belangrijke bevinding: in de betreffende periode bleken er niet meer dan 15.000 twitteraars actief in het rechtse cluster. Zij bevinden zich in een tamelijk homogeen netwerk rondom politici als Geert Wilders en Thierry Baudet, platforms als De Telegraaf, GeenStijl en The Post Online en publicisten als Wierd Duk (zie de grafiek).

Het rechtse politieke geluid op Twitter wordt dus uitgedragen door een bijna verwaarloosbare fractie van de Nederlandse bevolking. En dat is op zijn beurt weer in overeenstemming met het SCP-rapport waaruit blijkt dat de overgrote meerderheid helemaal niet zo boos is. Het gematigd linkse cluster verschilt onderling nogal en reageert heel anders op verschillende onderwerpen zoals identiteit, gender of de zorg. Het rechtse cluster is veel eenvormiger in het twittergedrag. Daar worden dezelfde berichten massaal gedeeld en dringen berichten van anderen minder makkelijk door.

Belangrijk verschil is ook dat de berichten van de rechtse twitteraars vaker negatief van toon zijn. Uit een steekproef van drie keer vijfhonderd tweets in de onderzochte periode en een kwalitatieve codering op negatief, neutraal en positief woordgebruik, blijkt dat de berichten van rechtse twitteraars drie keer zo vaak een negatieve lading hebben als die van linkse twittergebruikers. Bij nieuwsberichten over de ‘treitervlogger’ in Zaandam klonken bijvoorbeeld vanuit het rechterkamp commentaren als: ‘Zie je wel, die kutmarokkanen moeten het land uit.’ Bij berichten over een nieuwe wet op de orgaandonatie kwamen vanuit het progressieve kamp reacties als: ‘Goed plan, eindelijk!’ Schäfer: ‘Er is een duidelijk verschil in toonzetting, maar dat geldt voor een klein deel van de twitterberichten. In het algemeen is de toon van het debat op Twitter veel ruwer dan in het gewone leven, aan alle kanten van het spectrum.’

Toen Facebook en Twitter ruim tien jaar geleden begonnen, werden ze verwelkomd als belofte: via de sociale media werd het mogelijk wereldwijd met mensen van alle mogelijke achtergronden in contact te komen en in debat te gaan, zonder tussenkomst van al dan niet door overheden of het grote geld gedomineerde traditionele media. De sociale media werden zelfs geprezen als belangrijk democratisch instrument: tijdens de Arabische Lente in 2010 en 2011 vonden opstandige burgers elkaar én de internationale pers via de sociale netwerken, zodat de opstand in Tunesië tegen het autocratisch regime zelfs de ‘Twitterrevolutie’ werd genoemd. Van die democratische belofte en het open debat is inmiddels weinig meer over. De afgelopen jaren bevinden Twittergebruikers zich ook in Nederland steeds meer in gescheiden werelden.

Die ontwikkeling wordt bevestigd door het onderzoek van de Utrecht Data School: zoals de netwerkanalyse laat zien, retweeten rechtse en ‘gematigd linkse’ twitteraars vooral elkaar, waardoor de eigen mening keer op keer wordt bevestigd. Opvallend is daarbij dat de linkse en de rechtse twitteraars vaak dezelfde hashtags gebruiken, zoals #pauw, #nieuwstwitter, #pvv, #rutte en #turkijedebat, maar dat ze op die thema’s heel anders reageren. Hetzelfde patroon is te ontwaren in het mediagebruik van de politiek geïnteresseerde twitteraars. Aan beide zijden van het spectrum worden zowel rechtse als linkse traditionele media gevolgd, maar vervolgens in het twitterverkeer van totaal verschillend commentaar voorzien. Als de Volkskrant bijvoorbeeld meldt dat het aantal asielzoekers uit Somalië licht is gestegen, is de conclusie aan de rechterzijde van twitterland snel geveld: de grenzen moeten dicht. Terwijl aan de linkerzijde bijvoorbeeld de artikelen van Wierd Duk over de boze burgers wel degelijk worden gelezen en gedeeld, maar onmiddellijk van vinnig commentaar voorzien. ‘Berichten uit de traditionele media worden aan beide kanten van het spectrum opgepikt, maar vaak alleen ingezet ter bevestiging van het eigen gelijk,’ zegt Maranke Wieringa, een van de bij het onderzoek betrokken wetenschappers. ‘De gemeenschappen op Twitter lijken in dat opzicht meer op een echokamer dan op een gesloten bubbel. En eigenlijk is dat alarmerender. Als mensen de standpunten van anderen niet kénnen, is er misschien nog iets aan de verdeeldheid te doen. Als mensen wel kennis nemen van andere ideeën maar alleen nog hun eigen mening bevestigd willen zien, is de verdeeldheid een bewuste keuze, waardoor de tegenstellingen steeds verder worden verscherpt.’

Tegelijkertijd neemt de polarisatie op Twitter ook toe door het venijn van de tweets. Daar leent het medium zich uitstekend voor: in 140 tekens (afgelopen jaar uitgebreid naar 280) is weinig ruimte voor nuance en vliegen discussies snel uit de bocht. Wie tegenwoordig een lovende of zelfs maar relativerende opmerking over de ideeën van Thierry Baudet probeert te maken, krijgt meteen boze linkse commentaren over zich heen omdat-ie het racisme zou vergoelijken, wie iets positiefs over migratie meldt moet zich schrap zetten voor verwensingen van de rechterkant aan het adres van de Gutmenschen. Een recent voorbeeld van die polarisatie is een fittie rond Sybren Kooistra. De campagnestrateeg van GroenLinks-leider Jesse Klaver probeerde onlangs op zijn blog aan de kaak te stellen dat ‘progressieve’ media zoals de Volkskrant, Het Parool en Trouw steeds meer ruimte bieden aan ‘oude witte mannen’ als Martin Sommer, Sylvain Ephimenco en Theodor Holman, waarbij hij suggereerde dat ze tot de ‘alt right’-beweging zouden behoren. En passant noemde Kooistra Volkskrantcolumnist Arthur van Amerongen een ‘cultuurracist’ die zijn ‘racistische drek’ zou verhullen in een ‘ironische klaagzang op politieke correctheid’. Prompt regende het woedende commentaren op Twitter, vooral van de rechterzijde: Kooistra zou gepleit hebben voor een Berufsverbot van genoemde columnisten en lijden aan pseudologia fantastica. De gemoederen op Twitter liepen zo hoog op dat Kooistra er na beraad met Jesse Klaver vanaf zag om Vrij Nederland en Nieuwsuur over de invloed van de sociale media te woord te staan: in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen bleef hij liever even in de luwte.

Volgens Bart Nijman, adjunct-hoofdredacteur van het controversiële blog GeenStijl (motto: ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’) en al vele jaren berucht twitteraar, heeft Kooistra de kritiek vooral aan zichzelf te wijten omdat hij de ironische overdrijving van Arthur van Amerongen niet wil begrijpen: ‘Als je meteen over cultuurracisme begint, vráág je er ook wel om.’ Maar het patroon van de polarisatie op Twitter herkent Nijman wel: ‘Zelf doen we daar bij GeenStijl ook aan mee. Als ik een slechte bui heb, kan ik hard uit de hoek komen. Polarisatie hoeft op zich ook niet slecht te zijn. Als Darwin had gekozen voor de lieve vrede was het een stuk langzamer gegaan met de evolutietheorie. Maar de afgelopen jaren is het op Twitter wel doorgeschoten. De sociale barrières zijn weg. Een jaar of vijf à tien geleden kon je nog wel eens mooie discussies voeren met mensen waar je het helemáál niet mee eens was. Tegenwoordig worden het al snel scheldpartijen. De  stemming is: waar zullen we vandaag weer eens boos over zijn? De kring rond het kampvuurtje wordt steeds kleiner, in het donker daaromheen huilen de demonen.’

Op het congres van Forum voor Democratie eind november in de RAI verklaarde Henk Otten, ondernemer en financiële man van de jonge partij, voor een zaal vol autobandenhandelaren, kapsters en conservatieve studenten waarom de beweging van Thierry Baudet in zo korte tijd zo’n succes was geworden: dat kwam door de nieuwe media. Forum voor Democratie had vanaf de oprichting in februari 2015 ‘eigen mediakanalen’ ontwikkeld om het ‘eigen publiek’ te bereiken, buiten de gevestigde media om: Facebook, Twitter, Instagram en YouTube. Zodoende had Forum zich ontwikkeld tot ‘de grootste onlinebeweging’ van Nederland. ‘Ik denk dat dát de reden is waarom we in de Tweede Kamer zijn gekomen.’ Met andere woorden: ondanks de mainstream media zou Thierry Baudet zijn doorgebroken in de Haagse politiek. Uit het onderzoek van de Utrecht Data School rijst een heel ander beeld op: discussies op de sociale media nemen vaak pas een hoge vlucht als er juist wel aandacht aan wordt besteed in de traditionele media.Studenten van de Utrecht Data School deden specifiek onderzoek naar de discussie op sociale media in het afgelopen najaar over de ‘sleepwet’ en de handtekeningenactie om een referendum over die wet mogelijk te maken. Wat blijkt? In de zomer werd al enige tijd op Twitter over de sleepwet gediscussieerd, vooral door het circuit rond Bits of Freedom, de Piratenpartij en Thierry Baudet, maar het debat veerde pas echt op toen Arjen Lubach er op 1 oktober in zijn tv-programma bij de publieke omroep aandacht aan besteedde (zie grafiek).

‘Na de uitzending van Lubach stroomden de handtekeningen opeens binnen,’ zegt Luca van de Kamp, een van de studenten die de actie voor het referendum over de sleepwet organiseerden. ‘Fragmenten van de uitzending deden het heel goed op Twitter en Facebook. Opeens kregen we veel meer aandacht in de traditionele media, kwamen we in het NOS Journaal, in de kranten en bij Jinek.’ Tot die tijd werd de actie van de studenten door de politieke partijen vrijwel genegeerd, op steunbetuigingen van Forum voor Democratie, de Partij voor de Dieren en de jongerenpartijen van D66, GroenLinks en de PvdA na. ‘Maar begin oktober kwam Sybrand Buma opeens met een reactie: dat hij de uitslag van het referendum naast zich neer zou leggen, waardoor we nóg meer aandacht in de media kregen. We hadden 300.000 handtekeningen nodig om het referendum mogelijk te maken. Op 9 oktober waren die binnen, nog geen tien dagen na Lubach. Ik denk niet dat dat ooit was gelukt zonder de aandacht in de traditionele media.’

Kritische volgers van nieuwe media hadden dat effect al kunnen zien in 2012, toen aan het begin van het tweede kabinet-Rutte op Twitter ophef ontstond over het voornemen van VVD en PvdA om de zorgpremie inkomensafhankelijk te maken. Pas toen De Telegraaf de heibel oppikte en op de voorpagina in chocoladeletters van leer trok tegen de schandelijke nivelleringsplannen van ‘Marx Rutte’ drong de discussie door tot het grote publiek, raakte de VVD in rep en roer en zag het kabinet zich gedwongen de plannen in te slikken.

Ook Bart Nijman van GeenStijl merkte hoe bepalend de gevestigde media zijn toen hij in 2015 met GeenPeil, Thierry Baudet en de SP campagne voerde voor het Oekraïnereferendum. Afgelopen december zag hij opnieuw hoe sterk dat effect is, toen op GeenStijl een stuk werd gepubliceerd over Alexander Pechtold die niet in het geschenkenregister had vermeld dat hij een appartement in Scheveningen had gekregen van een bevriende Canadese diplomaat. ‘Op de sociale media zong dat verhaal al maanden rond na een berichtje op bekendeburen.nl,’ zegt Nijman. ‘Pas toen wij het stuk brachten en Elsevier er kritische vragen over ging stellen, en vervolgens de NOS, drong het door in de politiek en moest Pechtold zich verantwoorden.’

Voor de twitteraars die zich kwaad maakten over de inkomensafhankelijke zorgpremie, de studenten die de handtekeningenactie voor het referendum over de sleepwet organiseerden en Bart Nijman die aan de bel wilde trekken over Alexander Pechtold pakte die dynamiek gunstig uit. Maar de wisselwerking tussen sociale en traditionele media kan ook een volstrekt vertekend beeld opleveren. ‘Als er drie seconden naar een bericht op Facebook wordt gekeken, wordt dat al geregistreerd als view,’ zegt Mirko Schäfer. ‘Op die manier kunnen bijvoorbeeld politieke partijen als Forum voor Democratie heel snel roepen dat ze een enorm publiek bereiken. Als dat vervolgens door de traditionele media wordt overgenomen, werkt dat als een vergrootglas. Dan krijgen zulke ontwikkelingen een eigen dynamiek en ontstaat er een zichzelf versterkend effect. Over de daadwerkelijke steun voor de ideeën van Thierry Baudet hoeft dat niet veel te zeggen, maar het politieke debat wordt er wel door bepaald.’

Claes de Vreese, hoogleraar politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam, doet al vele jaren onderzoek naar de relatie tussen de sociale media en de politiek. In 2016 publiceerde hij met enkele internationale collega’s een onderzoekspaper over politieke communicatie in een ‘high choice media environment’. Volgens de wetenschappers gaat de opkomst van sociale media gepaard met een aantal zorgelijke ontwikkelingen, waaronder een dalend aanbod van politieke informatie, dalende kwaliteit van het nieuws, groeiende ongelijkheid in kennis van de politiek en toenemende fragmentatie en polarisatie. Vanuit Harvard, waar De Vreese uitgenodigd Fellow is, wijst hij erop dat de traditionele media die tendens stelselmatig versterken. ‘De verkiezing van Trump is daar een sprekend voorbeeld van. Er wordt al vele maanden gezegd dat Trump de verkiezingen met zijn Twitterberichten heeft gewonnen. Maar zonder de gevestigde media had Trump nóóit zo’n groot publiek bereikt.’

Uit een recent onderzoek van het Columbia Review of Journalism blijkt dat zelfs de New York Times, die als uiterst kritisch bekend staat, tijdens de campagne nauwelijks aandacht heeft besteed aan de beleidsvoornemens van Hillary Clinton en Donald Trump, maar buitensporig veel heeft gepubliceerd over Trumps hele en halve leugens via Twitter. ‘In de VS moet de eerste krant nog opstaan die zegt: negen van de tien Twitterberichten van Trump slaan we over,’ zegt De Vreese. ‘Zo is het in Nederland ook gegaan met de opmars van Geert Wilders. Jarenlang hoefde hij maar te tweeten om de voorpagina’s te halen. Dat gaf een totaal vertekend beeld van de werkelijke steun die hij had onder de kiezers. Zo gaat het nu opnieuw met Thierry Baudet.’

Daar komt nog bij dat ook individuele politici van gevestigde partijen graag inspringen op de via sociale media geventileerde onvrede. De voorbeelden zijn legio. CDA-politica Madeleine van Toorenburg die tijdens de ophef op Twitter over het stukslaan van de ruiten van een joodse winkel door een asielzoeker meteen tweette, al vóór de politie onderzoek had kunnen doen naar de achtergrond van de dader: ‘Je zou toch zeggen dat dit soort delicten gevolgen moeten hebben voor verblijfsstatus’. Malik Azmani van de VVD, die na het ontdekken van een vermeende terrorist onder Syrische asielzoekers meteen twitterde ‘dat er meer gevonden zullen worden’. Premier Mark Rutte die na het klemrijden van de bussen met anti-Zwarte Piet-activisten bij Dokkum snel wegdook achter de facebookende boze burger en opmerkte: ‘Wat ik niet wil, is dat kinderen worden geconfronteerd met boze demonstranten’ – waarmee hij een overduidelijk geval van eigenrichting op de snelweg goedpraatte. En Sybrand Buma van het CDA die de boze burger in zijn H.J. Schoo-lezing tot ‘gewone burger’ verklaarde, terwijl het SCP-rapport niet lang daarna liet zien dat die boze burgers al jaren in werkelijkheid juist een kleine luidruchtige minderheid vormen.

Het probleem is alleen dat het – zeker voor rechtse politici – heel verleidelijk is met de boze twitteraars mee te praten: wie er niet aan meedoet, wordt al snel straal genegeerd of uitgescholden. ‘Twitter begint steeds meer te lijken op een lachspiegelpaleis,’ zegt Sjoerd Sjoerdsma, Kamerlid en campagneleider van D66 en actief twitteraar. ‘Wat je voorbij ziet komen, heeft vaak weinig met de werkelijkheid te maken. Rory Stewart, de Britse schrijver en politicus, heeft laatst een keer gezegd dat het in de politiek eigenlijk gaat om kleine stappen, maar die krijgen op Twitter zelden aandacht. Sociale media roepen om sweeping statements. Als je zulke hyperbolen tegenspreekt, wat ik regelmatig doe omdat ik vind dat je de feiten naar voren moet blijven brengen, krijg je meteen een trollenleger achter je aan, inclusief verwensingen en bedreigingen.’

De vraag is nu: hoe is die dynamiek van vertekening en polarisatie te doorbreken? En hoe is de onevenredige invloed op de politiek van een kleine groep boze types op de sociale media te keren?

De internationale druk op bedrijven als Facebook groeit om regulering van het dataverkeer en meer transparantie te accepteren, al was het maar om de verspreiding van fake news tegen te gaan. Zo kwam het CPB laatst met de aanbeveling dat digitale platforms als Facebook misleidende berichten moeten gaan filteren. Maar dat is maar een klein deel van het probleem. Bovendien stuit regulering al snel op principiële bezwaren. Want wie moet de sociale media dan gaan controleren? En hoe doe je dat zonder de privacy van de gebruikers prijs te geven?

Volgens onderzoeker Mirko Schäfer zou het in elk geval enorm helpen als politici zich zouden realiseren dat het beeld van de boze burger goeddeels wordt bepaald door een kleine luidruchtige minderheid op de sociale media, zoals het onderzoek laat zien. ‘Bovendien zouden de traditionele media veel terughoudender met de berichten op Facebook en Twitter moeten omgaan. De commotie op sociale media is tegenwoordig op zichzelf al nieuws, maakt niet uit over welk onderwerp. Het zou een zegen zijn als de mainstream media wat dat betreft meer zelfbeheersing laten zien.’

Ook Claes de Vreese meent dat op die manier de polarisatie op het web en in de samenleving kan worden teruggedrongen, of op zijn minst niet verder versterkt. ‘Traditionele media zouden boodschappen van politici op Facebook en Twitter ook moeten beschouwen als een doodgewoon persbericht van een bedrijf als Philips: daar wordt in verreweg de meeste gevallen ook geen aandacht aan besteed. Dat zou veel gezonder zijn voor het publieke en politieke debat, en daarmee voor de democratie.’


Verantwoording

Dit onderzoek is in opdracht van Vrij Nederland en Nieuwsuur uitgevoerd door Maranke Wieringa, Ludo Gorzeman en Daniela van Geenen onder leiding van Mirko Tobias Schäfer van de Utrecht Data School van de Universiteit Utrecht. Op grond van een dataset met alle Nederlandstalige tweets uit de periode 4-18 september 2016, verzameld door Buzzcapture en ontleed in samenwerking met de Hogeschool Utrecht, lectoraat crossmediale kwaliteitsjournalistiek, identificeerden zij ca. 1200 retweetclusters rond topics. Op basis daarvan brachten zij in kaart welke clusters er te onderscheiden zijn onder politiek geïnteresseerde twitteraars. Vervolgens werd onderzocht aan welke media er binnen het rechtse en ‘gematigd linkse’ cluster werd gerefereerd, en werd op basis van een steekproef van drie keer 500 tweets geanalyseerd hoe negatief, positief of neutraal binnen beide clusters en het gehele netwerk op mediaberichten werd gereageerd. Daarnaast onderzochten de studenten Luana Gomes Sousa e Sousa, Marjolein Krijgsman en Robin Lambriex de samenhang tussen activiteiten op sociale media en berichtgeving in de mainstream media op basis van een sample van tweets over de sleepwet in de periode 30 september-23 november 2017. De lijsten van ‘rechtse’ en ‘linkse’ twitteraars zijn gebaseerd op een eigen verkenning van Vrij Nederland en Nieuwsuur.

Dit artikel verscheen in februari 2018 in Vrij Nederland.