Digitalisering en sociale media: nuttig of chaos?
Dit zeggen de volksvertegenwoordigers zelf

Gerald Gnodde en Renske van der Tempel (Redactie Jaarboek)

Chief Editor

Van de hoofdredacteur

In dit interview laten jaarboekredacteuren Gerald Gnodde en Renske van der Tempel zes volksvertegenwoordigers zelf aan het woord over de vraag wat zij doen met social media en digitale kanalen. Het maakt nogal wat uit in welke bestuurslaag je actief bent, zo blijkt.

Voor griffiers is de digitale wereld een gegeven. Voor de meeste volksvertegenwoordigers geldt hetzelfde. Maar hoe gebruiken zij digitale informatie en digitale kanalen? Wat doen ze met sociale media? En wat verwachten zij in dat verband eigenlijk van hun griffier? Dat zijn vragen die veel griffiers zich stellen. Vanuit de jaarboekredactie legden wij die vragen voor aan enkele volksvertegenwoordigers uit de verschillende bestuurslagen, om het eens van henzelf te horen.

 

Zes van hen hebben de tijd voor ons genomen:

Jopie Nooren, Eerste Kamerlid voor de PvdA

Albert van den Bosch, Tweede Kamerlid voor de VVD

Pia Dijkstra, Tweede Kamerlid voor D66

Paul Breitbarth, Statenlid Zuid-Holland voor D66

Thomas van der Knaap, raadslid Albrandswaard voor Echt voor Albrandswaard (EVA)

Thijs van Zutphen, raadslid Meierijstad voor Lijst Blanco

Voor griffiers is de digitale wereld een gegeven. Voor de meeste volksvertegenwoordigers geldt hetzelfde. Maar hoe gebruiken zij digitale informatie en digitale kanalen? Wat doen ze met sociale media? En wat verwachten zij in dat verband eigenlijk van hun griffier? Dat zijn vragen die veel griffiers zich stellen. Vanuit de jaarboekredactie legden wij die vragen voor aan enkele volksvertegenwoordigers uit de verschillende bestuurslagen, om het eens van henzelf te horen.

 

Zes van hen hebben de tijd voor ons genomen (op de foto ziet u ze eerst boven en dan beneden, van links naar rechts):

Jopie Nooren, Eerste Kamerlid voor de PvdA

Albert van den Bosch, Tweede Kamerlid voor de VVD

Pia Dijkstra, Tweede Kamerlid voor D66

Paul Breitbarth, Statenlid Zuid-Holland voor D66

Thomas van der Knaap, raadslid Albrandswaard voor Echt voor Albrandswaard (EVA)

Thijs van Zutphen, raadslid Meierijstad voor Lijst Blanco

Informatie: waar en wat zoek je?

Het startpunt voor de volksvertegenwoordiger is in de meeste gevallen het voorstel dat hen wordt voorgelegd door het bestuur. ‘Het raadsvoorstel op zich, dat is voor mij de belangrijkste en meest gebruikte bron,’ geeft raadslid Thijs van Zutphen aan.

Maar als het onderwerp politiek belangrijk genoeg voor hen is, gaan volksvertegenwoordigers meestal zelf op zoek naar aanvullende informatie. Soms is de zoektocht naar informatie logischerwijs vooral strategisch bepaald. Raadslid Thomas van der Knaap: ‘Wanneer een onderwerp deel uitmaakt van speerpunten van de partij, dan zoek ik vooral naar ondersteuning van het gekozen standpunt.’ Maar Statenlid Paul Breitbarth heeft zich gerealiseerd dat het ook bevredigend kan zijn om als Staten een debat met zo breed mogelijke informatie te voeren.

Juist de onderwerpen die algemener en meer open van aard zijn, geven de leukste debatten in de Staten: ‘Dan probeer ik alle voors en tegens op een rijtje te zetten en kan het besluit ook afhankelijk zijn van de discussie in de Staten.’

In de Eerste Kamer werkt dat wat anders dan in de andere volksvertegenwoordigingen. De rol van de Eerste Kamer in wetgevingstrajecten is immers een wezenlijk andere, omdat het wetsvoorstel al uitgebreid behandeld is door de Tweede Kamer. Dat betekent dat er meestal al veel schriftelijke documentatie en reacties van belanghebbenden, deskundigen en maatschappelijke organisaties beschikbaar is. Eerste Kamerlid Jopie Nooren verwoordt het zo: ‘Ik gebruik daarvoor alle aangeleverde stukken en internet. Iedere behandeling van een wetsvoorstel ga ik open in en dat gold zeker bij bijvoorbeeld het wijzigingsvoorstel van de Donorwet. In dit geval had ik tot het plenaire debat geen uitgesproken standpunt, wel vragen en zorgen. Het is verrijkend om het onderwerp van verschillende gezichtspunten te kunnen beschouwen om tot een goede beoordeling te komen van het wetsvoorstel. Zeker daar waar het gaat om de rechtmatigheid, kwaliteit en uitvoerbaarheid. De informatie die je dan verzamelt helpt om scherpe vragen te stellen, zowel bij de schriftelijke behandeling als de mondelinge gedachtewisseling over het wetsvoorstel.’

Wat doet de griffie?

Wat verwachten de volksvertegenwoordigers in dit proces van informatieverzameling eigenlijk van hun griffier? Voor de meesten van hen is de griffie vooral de ondersteuning die zorgt voor de digitale beschikbaarheid van de vergaderstukken, vooral afkomstig van het bestuur.  Een enkele volksvertegenwoordiger zou wel meer inhoudelijke ondersteuning willen hebben. ‘Vooral bij controversiële onderwerpen zou een overzicht van argumenten, zeker uit de burgercommunicatie, kunnen helpen,’ geeft Paul Breitbarth aan. Maar raadslid Thomas van der Knaap verwoordt de mening van anderen, die dit niet nodig vinden. ‘Het ophalen van meningen is een zaak van de fracties of de partijen zelf.’ Thijs van Zutphen geeft aan dat zijn griffie wel geïnventariseerd heeft welke raadsleden graag van de griffie informatie krijgen over wat er speelt op de sociale media. ‘Er zijn nog geen signalen doorgekomen, maar het is goed om te weten dat er een oogje in het zeil wordt gehouden.’

In de Tweede Kamer is er verhoudingsgewijs veel meer ondersteuning, zowel voor de Kamer als geheel (de griffie en de andere ondersteunende diensten) als voor de fracties. De fracties hebben hun eigen medewerkers en de informatieverzameling wordt  aan de fractie zelf overgelaten. Dat geldt in ieder geval voor de schriftelijke informatieverzameling, want het organiseren van hoorzittingen en rondetafelgesprekken is wel degelijk een zaak van de griffie. Ook wordt het binnenkort mogelijk dat Kamercommissies aan de griffie verzoeken onderzoek te doen naar bepaalde zaken. Dit verzoek wordt dus niet door individuele fracties gedaan, maar door de commissie als geheel, of in elk geval een meerderheid.

De griffies van de volksvertegenwoordigers die wij hebben gesproken doen niet aan duiding van sociale media richting de volksvertegenwoordigers. Duiden is echter wat anders dan het doorgeven van signalen of berichten die gericht zijn aan ‘de gemeente’ of ‘Provinciale Staten’. Paul Breitbarth verwoordt het zo: ‘De reacties die echt bij de provincie of bij de griffie binnenkomen, zouden wel met de Staten moeten worden gedeeld, als waren het inspraakreacties.’

Hoe gebruiken volksvertegenwoordigers sociale media?

Op alle niveaus zijn volksvertegenwoordigers tegenwoordig actief met sociale media. Tweede Kamerlid Pia Dijkstra spraken we expliciet over het (lange) proces rondom de Donorwet, waarbij veel Nederlanders op sociale media de discussie zijn aangegaan. Niet exemplarisch voor hoe de fracties omgaan met informatie, maar wel een mooi voorbeeld van ‘ophalen’. Zij gaf aan dat zij bij de totstandkoming van het wijzigingsvoorstel van de Donorwet zeer veel mensen gesproken heeft. Onder meer belangenorganisaties, deskundigen op het gebied van transplantaties en ervaringsdeskundigen. Sociale media gebruikte zij vooral om helder te krijgen waar nog uitleg nodig was. ‘Als mensen bijvoorbeeld twitteren dat ze bang zijn dat ik hun net overleden oma uit haar bed licht en meeneem voor haar organen, dan is duidelijk dat ik nog wat uit te leggen heb…’

Dijkstra geeft verder aan dat zij op sociale media actief op zoek gaat naar andere sociale media-bubbels. Doordat Facebook en andere sociale media algoritmes gebruiken om je het nieuws aan te bieden dat bij jouw voorkeuren past, blijf je vaak in je eigen kring van gelijkgestemden hangen. Zij gebruikt sociale media juist om erachter te komen hoe anderen over zaken denken. ‘Het is goed om te weten welke informatie bekend is bij mensen die alleen of vooral via sociale media kennis opdoen. Daar kan de overheid de publiekcampagnes, zoals over de wijziging van de Donorwet, op afstemmen.’

Maar er zitten ook schaduwkanten aan het gebruik van sociale media. Pia Dijkstra denkt dan aan het hoge ‘primaire’ en soms ronduit persoonlijke en aanvallende karakter van berichten. Zij vindt het bovendien jammer dat je op sociale media moeilijk de diepte in kunt gaan en dus geen gedegen informatie kunt geven. Bij de discussie over haar wetsvoorstel merkte zij dat op sociale media veel mensen elkaar napraten en zaken daardoor soms een eigen leven gaan leiden. ‘Op een gegeven moment ontstond het idee dat ons voorstel tegen de Grondwet was, omdat in artikel 11 het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam is vastgelegd. De nuancering dat beperkingen op dit recht op wettelijke grondslag mogen plaatsvinden (proportionaliteit), was in deze online-discussie geheel niet meegenomen.’ Eerste Kamerlid Jopie Nooren herkent dit: ‘Hoe ga je om met reacties of verhalen die niet gebaseerd lijken te zijn op feiten en afwegingen?’ Haar valt op dat ‘dezelfde basisteksten in toenemende mate door verschillende mensen naar je toegezonden worden zonder een persoonlijke boodschap.’

De Donorwet, een initiatiefvoorstel, is in allerlei opzichten een unieke casus. In het dagelijks werk van de volksvertegenwoordigers worden sociale media niet vaak gebruikt in de voorbereiding op een debat. Zij gebruiken sociale media vooral om te ‘zenden’, en activiteiten en standpunten van de partij onder de aandacht te brengen van de kiezers. Vooral Twitter en Facebook zijn populair, maar ook Instagram wordt genoemd. LinkedIn wordt meer als zakelijk netwerk gezien, niet voor het politieke werk. Dit is goed te zien bij Tweede Kamerlid Albert van den Bosch. Hij gebruikt sociale media vooral om te laten zien wat hij doet als Kamerlid. Hij gebruikt het minder graag voor het ophalen van signalen. Hij constateert dat op sociale media ‘veel mopperaars’ actief zijn, en laat zich daardoor liever ‘niet gek maken’. Voor het verkrijgen van goede informatie heeft hij een sterke voorkeur voor persoonlijk contact en goede gesprekken. ‘Ontmoeten blijft belangrijk.’ Hij is onder andere woordvoerder lokaal bestuur. Hij waardeert het dat de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden de woordvoerders actief informeert door een nieuwsbrief te sturen en langs te komen. De andere verenigingen, waaronder die van de griffiers, zijn veel minder actief. ‘Een gemiste kans,’  want het is een goede manier om de Tweede Kamerleden te laten weten wat er leeft in het lokale bestuur. Ook raadslid Thijs van Zutphen denkt dat je als inspreker meer kunt bereiken dan met een bericht op sociale media. ‘De boodschap wordt in een zaal vaak sterker geformuleerd en het persoonlijk contact doet ook veel.’

Bij zowel insprekers als reacties via sociale media moet worden afgewogen of het gaat om één mening, of om een gevoel dat leeft bij meerdere mensen of groepen. Eigenlijk zit er in die zin weinig verschil tussen het inbrengen van een mening via een microfoon of via een bericht op internet.

Actief digitaal inwoners betrekken?

De meningen over een digitaal discussieplatform zijn bij de raadsleden en Statenleden verdeeld. Voor een bestuursorgaan ziet men dat niet zo zitten, wellicht nog wel per partij. Maar het kost veel tijd. Bovendien is de inschatting van Paul Breitbarth dat een kleine groep mensen met een sterke mening mee zal doen en dat het in die zin dus niet per definitie de algemene betrokkenheid bij de politiek vergroot. Maar, zo stelt Thijs van Zutphen die het platform argu.co bekeek, ‘het ziet er goed uit en participatie is een groot goed. Dus ik vind het zeker het onderzoeken waard wat voor mogelijkheden een dergelijk platform biedt.’