Stemhulpen en de rechtsstaat:
een onwenselijke ontkoppeling

Column van Bas de Gaay Fortman en Olivier de Gaay Fortman (auteurs van De Grondwetwijzer, 2017)

Chief Editor

Van de hoofdredacteur

Bas en Olivier de Gaay Fortman reageren op bijdrage 4 over de positieve effecten van digitale stemhulpen, met een column over de meer principiële en rechtsstatelijk bezwaren tegen het gebruik van online stemhulpen.

Wordt aan het Landelijk Griffierscongres de vraag voorgelegd 'Zijn stemhulpen een succes?' dan gaan vast vooral groene kaarten de lucht in. In een tijd van afnemende belangstelling voor politieke partijen en verkiezingen is hun succes inderdaad opmerkelijk. De eerste, een zogeheten Stemwijzer, werd in 1989 ontwikkeld door ProDemos. Sindsdien kwamen er nog een paar bij maar is vooral het aantal gebruikers explosief gegroeid.  De verklaring voor dit succes is dat stemhulpen het complexe keuzeproces dat kiezers doorlopen sterk vereenvoudigen. Die complexiteit dateert van na de ontzuiling. Toen was voor de meeste kiezers het stemmen een simpele verklaring van waar je bij hoorde: rooms, rood, protestants of liberaal-conservatief met nog enige subgroepen daarbinnen. Nu sta je voor de moeilijke vraag welke partij jouw stem verdient, met lijsttrekker, partijcultuur, verkiezingsprogram, stemgedrag in voor jou belangrijke kwesties en al. Om je te helpen krijg je een beperkt aantal eenvoudige maar uiteenlopende politieke stellingen voorgelegd die problemen, dilemma’s of beleidsvoorkeuren versimpeld weergeven; van het type ‘de maximumsnelheid op de A1 moet omhoog naar 130 km/uur’. Kiezers moeten dan aangeven in hoeverre zij het met de gepresenteerde stelling eens zijn. De antwoorden worden aan de hand van rekenregels verwerkt tot percentages van de mate waarin de opvattingen van de kiezer met elke partij overeenstemt. 

Politiek is meer dan stellingen betrekken

Is een politieke voorkeur dan puur rationeel? Dat is wel waar de onlinestemhulpen van uitgaan. De kiezers worden niet verondersteld rekening te houden met de normatieve context van hun keuzes. Principes, normen of kwesties die betrekking hebben op moreel handelen zijn in geen van de stellingen te vinden. De stemhulpen gaan uit van een objectief, en weldenkend mens die belangen en nut afweegt zonder zich door vooroordeel en emotie te laten beïnvloeden. Politiek vergt echter veel meer dan dat en vereist een vermogen zicht te krijgen op zowel deelbelangen als het algemeen belang. Van volksvertegenwoordigers mag je dan ook vragen de noodzakelijke afwegingen te maken vanuit kennis van de rechtsorde en respect voor onze rechtsstaat en democratie.  Hoe? Op basis van waarden waar ze in geloven. Welke? Voor kiezers en hun vertegenwoordigers is dat hun eigen zaak natuurlijk. Maar voor allen blijft het waardepatroon van onze natiestaat relevant. En deze waarden raken vanzelfsprekend aan onze politieke voorkeuren.

Stemhulpen negeren grondwettigheid

Bewust kiezen veronderstelt dus een normatieve context en die is niet alleen subjectief. Er zijn wetten en er is de Grondwet. Nu worden er stellingen voorgelegd die berusten op punten die jarenlang in een partijprogramma zijn opgenomen zonder dat er vanuit die partij ooit ook maar enig initiatief tot wetgeving is genomen, laat staan dat dit kans zou maken. Zulke punten hangen in de lucht. Het met het Nederlandse burgerschap verbonden waardepatroon is terug te vinden in de Grondwet. Het is dan ook belangrijk politieke partijen mede op grondwettigheid te beoordelen.

Om de manier te illustreren waarop een stemhulp met de Grondwet omgaat wordt hier een stelling uit het recente verleden aan de Grondwet getoetst:

“De regering moet gemeenten verbieden illegale vreemdelingen onderdak te geven”.

Maar: beleidsvrijheid van gemeenten is in de Grondwet opgenomen. Gemeentelijke autonomie ligt vast in art. 124. Bovendien is er sprake van strijd met de grondwettelijke regeringsopdracht de internationale rechtsorde te bevorderen (art. 90) in samenhang met het door Nederland geratificeerde Vluchtelingenverdrag. Duidelijk wordt hier dat naast een toetsing van partijprogramma’s en politiek beleid aan louter eigen voorkeur ook een meer objectieve toets aan grondwettelijk vastgelegde normen gewicht zou moeten krijgen. Oftewel, zich niet alleen te laten leiden door belangen en emoties, maar ook bepaalde waarden en normen in acht te nemen die al eeuwen hun kracht bewijzen. In een tijd van twijfel aan de werking van ons staatsbestel kan grondwettelijk toetsen van partijen de kiezer wellicht op weg helpen.

Partijprogramma’s toetsen aan de Grondwet

Relevante vragen zijn dan onder meer:

  • Erkent de partij in kwestie de Grondwet als pijler van democratie en rechtsstaat en wordt aanvaard dat die ondeelbaar is en er dus niet selectief in kan worden ‘gewinkeld’?
  • Respecteert deze partij in onze politieke praktijk de grondprincipes van gelijke behandeling en non-discriminatie (art. 1)?
  • Erkent deze partij álle grondrechten, inclusief godsdienstvrijheid (art. 6), en wordt daarbij gerespecteerd dat mensen zelf uitmaken wat ze als hun godsdienst beschouwen en hoe ze binnen het kader van de wet zich religieus organiseren?
  • Geeft deze partij aandacht aan privacybescherming (art. 10) en aan bestrijding van intimidatie, aanranding, verkrachting en huiselijk geweld (art. 11)?
  • Respecteert deze partij de onafhankelijkheid en bevoegdheden van de rechterlijke macht (art. 112) en 113), ook waar het gaat om de toetsing van wetten en gemeentelijke verordeningen en besluiten aan internationale verdragen (art. 94), zoals die over de mensenrechten?

Conclusie: met alle goede en geslaagde bedoelingen, zoals bevordering van de opkomst bij verkiezingen, kunnen stemhulpen aanzienlijk aan gewicht winnen door bij de formulering en toelichting van hun stellingen rekening te houden met het normatieve kader van de rechtsstaat zoals vastgelegd in grondwettelijke normen. Pas dan kunnen ze helpen zoals bedoeld: een instrument voor daadwerkelijk burgerschap.

Olivier de Gaay Fortman (1992) is na zijn bachelors in bedrijfskunde en natuurkunde vergevorderd met een master  wiskunde. Met zijn grootvader Bas schreef hij De grondwetwijzer (2017, Gemeente-editie 2018).

Bas de Gaay Fortman (1937) richt zich als hoogleraar Politieke economie al meer dan een halve eeuw op de dagelijkse spanning tussen macht en moraal. Van 1971 tot 1991 was hij lid van de Staten-Generaal. Onder het kabinet-Den Uyl was hij als voorzitter van een regeringsfractie nauw betrokken bij de praktische politiek. In zijn parlementaire jaren was hij betrokken bij de herziening van de Grondwet.